Romeinen 11:1-36 SV:
1: IK zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad Abrahams, van den stam van Benjamin.
2: God heeft Zijn volk niet verstoten, hetwelk Hij tevoren gekend heeft. Of weet gij niet wat de Schrift zegt van Elía? Hoe hij God aanspreekt tegen Israël, zeggende:
3: Heere, zij hebben Uw profeten gedood en Uw altaren omgeworpen, en ik ben alleen overgebleven, en zij zoeken mijn ziel.
4: Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord? Ik heb Mijzelven nog zevenduizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben.
5: Alzo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden naar de verkiezing der genade.
6: En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer. En indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer.
7: Wat dan? Hetgeen Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden
8: (Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen), tot op den huidigen dag.
9: En David zegt: Hun tafel worde tot een strik en tot een val en tot een aanstoot en tot een vergelding voor hen;
10: Dat hun ogen verduisterd worden, om niet te zien; en verkrom hun rug allen tijd.
11: Zo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld opdat zij vallen zouden? Dat zij verre; maar door hun val is de zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloersheid te verwekken.
12: En indien hun val de rijkdom is der wereld, en hun vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hun volheid!
13: Want ik spreek tot u, heidenen: Voor zoveel ik der heidenen apostel ben, ik maak mijn bediening heerlijk,
14: Of ik enigszins mijn vlees tot jaloersheid verwekken en enigen uit hen behouden mocht.
15: Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden?
16: En indien de eerstelingen heilig zijn, zo is ook het deeg heilig; en indien de wortel heilig is, zo zijn ook de takken heilig.
17: En zo enige der takken afgebroken zijn, en gij, een wilde olijfboom zijnde, in derzelver plaats zijt ingeënt, en des wortels en der vettigheid des olijfbooms mededeelachtig zijt geworden,
18: Zo roem niet tegen de takken; en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.
19: Gij zult dan zeggen: De takken zijn afgebroken, opdat ik zou ingeënt worden.
20: Het is wel; zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof. Zijt niet hooggevoelende, maar vrees.
21: Want is het dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe dat Hij ook mogelijk u niet spare.
22: Zie dan de goedertierenheid en de strengheid Gods; de strengheid wel over degenen die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gij in de goedertierenheid blijft; anderszins zult ook gij afgehouwen worden.
23: Maar ook zij, indien zij in het ongeloof niet blijven, zullen ingeënt worden; want God is machtig dezelve weder in te enten.
24: Want indien gij afgehouwen zijt uit den olijfboom die van nature wild was, en tegen nature in den goeden olijfboom ingeënt, hoeveel te meer zullen dezen, die natuurlijke takken zijn, in hun eigen olijfboom geënt worden!
25: Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.
26: En alzo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob;
27: En dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen.
28: Zo zijn zij wel vijanden aangaande het Evangelie, om uwentwil, maar aangaande de verkiezing zijn zij beminden, om der vaderen wil;
29: Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.
1: IK zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad Abrahams, van den stam van Benjamin.
2: God heeft Zijn volk niet verstoten, hetwelk Hij tevoren gekend heeft. Of weet gij niet wat de Schrift zegt van Elía? Hoe hij God aanspreekt tegen Israël, zeggende:
3: Heere, zij hebben Uw profeten gedood en Uw altaren omgeworpen, en ik ben alleen overgebleven, en zij zoeken mijn ziel.
4: Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord? Ik heb Mijzelven nog zevenduizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben.
5: Alzo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden naar de verkiezing der genade.
6: En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer. En indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer.
7: Wat dan? Hetgeen Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden
8: (Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen), tot op den huidigen dag.
9: En David zegt: Hun tafel worde tot een strik en tot een val en tot een aanstoot en tot een vergelding voor hen;
10: Dat hun ogen verduisterd worden, om niet te zien; en verkrom hun rug allen tijd.
11: Zo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld opdat zij vallen zouden? Dat zij verre; maar door hun val is de zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloersheid te verwekken.
12: En indien hun val de rijkdom is der wereld, en hun vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hun volheid!
13: Want ik spreek tot u, heidenen: Voor zoveel ik der heidenen apostel ben, ik maak mijn bediening heerlijk,
14: Of ik enigszins mijn vlees tot jaloersheid verwekken en enigen uit hen behouden mocht.
15: Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden?
16: En indien de eerstelingen heilig zijn, zo is ook het deeg heilig; en indien de wortel heilig is, zo zijn ook de takken heilig.
17: En zo enige der takken afgebroken zijn, en gij, een wilde olijfboom zijnde, in derzelver plaats zijt ingeënt, en des wortels en der vettigheid des olijfbooms mededeelachtig zijt geworden,
18: Zo roem niet tegen de takken; en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.
19: Gij zult dan zeggen: De takken zijn afgebroken, opdat ik zou ingeënt worden.
20: Het is wel; zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof. Zijt niet hooggevoelende, maar vrees.
21: Want is het dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe dat Hij ook mogelijk u niet spare.
22: Zie dan de goedertierenheid en de strengheid Gods; de strengheid wel over degenen die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gij in de goedertierenheid blijft; anderszins zult ook gij afgehouwen worden.
23: Maar ook zij, indien zij in het ongeloof niet blijven, zullen ingeënt worden; want God is machtig dezelve weder in te enten.
24: Want indien gij afgehouwen zijt uit den olijfboom die van nature wild was, en tegen nature in den goeden olijfboom ingeënt, hoeveel te meer zullen dezen, die natuurlijke takken zijn, in hun eigen olijfboom geënt worden!
25: Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.
26: En alzo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob;
27: En dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen.
28: Zo zijn zij wel vijanden aangaande het Evangelie, om uwentwil, maar aangaande de verkiezing zijn zij beminden, om der vaderen wil;
29: Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.
Openbaring 2:9 SV: Ik weet uw werken, en verdrukking, en armoede (doch gij zijt rijk), en de lastering dergenen die zeggen dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar zijn een synagoge des satans.
Openbaring 3:9 SV: Zie, Ik geef u enigen uit de synagoge des satans, dergenen die zeggen dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen; zie, Ik zal maken dat zij zullen komen en aanbidden voor uw voeten, en bekennen dat Ik u liefheb.
2 Korinthe 11:7 SV: Heb ik zonde gedaan, als ik mijzelven vernederd heb opdat gij zoudt verhoogd worden, overmits ik u het Evangelie Gods om niet verkondigd heb?
Mattheüs 24:24 SV: Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden.
Openbaring 3:9 SV: Zie, Ik geef u enigen uit de synagoge des satans, dergenen die zeggen dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen; zie, Ik zal maken dat zij zullen komen en aanbidden voor uw voeten, en bekennen dat Ik u liefheb.
2 Korinthe 11:7 SV: Heb ik zonde gedaan, als ik mijzelven vernederd heb opdat gij zoudt verhoogd worden, overmits ik u het Evangelie Gods om niet verkondigd heb?
Mattheüs 24:24 SV: Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden.
https://christengemeentewerkendam.nl/uitwerkingen/israelinhetlichtvangodswoorddeel3
https://youtu.be/aoVL7ELRz8E?si=Jt4kJjU_fC71eEBe
https://youtu.be/aoVL7ELRz8E?si=Jt4kJjU_fC71eEBe
YouTube
Manifestatie Israël, podium voor antichrist? Israël in het licht van Gods Woord, aflevering 3.
Israël en de uitverkiezing? Israël in het licht van Gods Woord, aflevering 3.
Deze serie is bedoeld om broeders en zuster onderwijs te geven vanuit Gods Woord. En specifiek over Israël.
Wie is Israël, moet ik hen zegenen? etc. etc.
wie is Gods uitverkoren…
Deze serie is bedoeld om broeders en zuster onderwijs te geven vanuit Gods Woord. En specifiek over Israël.
Wie is Israël, moet ik hen zegenen? etc. etc.
wie is Gods uitverkoren…
zie je het dan niet!
dat Nederland de afgelopen 6 jaar ontzettend veranderd is!?
de leugen regeert, er is afleiding, misleiding en verleiding, het Babylon is weer terug..... met alle gevolgen van dien.
velen zijn zichzelf niet meer.....
1 Korinthe 14:33 SV: Want God is geen God van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de gemeenten der heiligen.
Jakobus 3:16 SV: Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boze handel.
dit aardse tijdelijke leven:
Johannes 3:12 SV: Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven indien Ik ulieden de hemelse zou zeggen?
Filippenzen 3:19 SV: Welker einde is het verderf, welker god is de buik, en welker heerlijkheid is in hun schande, dewelke aardse dingen bedenken.
het enige wat werkelijk telt en waar alles om draait is de Heere Jezus Christus en Dien gekruisigd! geloof in Hem!?
wees als Noach:
Hebreeën 11:7 SV: Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam der rechtvaardigheid die naar het geloof is.
Gods levende Woord, de Bijbel is zo duidelijk:
Openbaring 14:12 SV: Hier is de lijdzaamheid der heiligen; hier zijn zij die de geboden Gods bewaren en het geloof van Jezus.
1 Johannes 5:10 SV: Die in den Zone Gods gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven; die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis die God getuigd heeft van Zijn Zoon.
1 Petrus 1:3 SV: Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden;
1 Petrus 2:7 SV: U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar den ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen Dien de bouwlieden verworpen hebben, Deze is geworden tot een Hoofd des hoeks, en een Steen des aanstoots, en een Rots der ergernis;
weg met alle afgoderij, je kunt geen 2 heren dienen:
Mattheüs 6:24 SV: Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal den enen haten en den anderen liefhebben, of hij zal den enen aanhangen en den anderen verachten; gij kunt niet God dienen en den Mammon.
waarom hoor je velen wel over god, maar niet over de Heere Jezus Christus, de Heere God, hopelijk zet je dit aan het nadenken!
Markus 13:22 SV: Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen tekenen en wonderen doen, om te verleiden, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen.
dat Nederland de afgelopen 6 jaar ontzettend veranderd is!?
de leugen regeert, er is afleiding, misleiding en verleiding, het Babylon is weer terug..... met alle gevolgen van dien.
velen zijn zichzelf niet meer.....
1 Korinthe 14:33 SV: Want God is geen God van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de gemeenten der heiligen.
Jakobus 3:16 SV: Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boze handel.
dit aardse tijdelijke leven:
Johannes 3:12 SV: Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven indien Ik ulieden de hemelse zou zeggen?
Filippenzen 3:19 SV: Welker einde is het verderf, welker god is de buik, en welker heerlijkheid is in hun schande, dewelke aardse dingen bedenken.
het enige wat werkelijk telt en waar alles om draait is de Heere Jezus Christus en Dien gekruisigd! geloof in Hem!?
wees als Noach:
Hebreeën 11:7 SV: Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam der rechtvaardigheid die naar het geloof is.
Gods levende Woord, de Bijbel is zo duidelijk:
Openbaring 14:12 SV: Hier is de lijdzaamheid der heiligen; hier zijn zij die de geboden Gods bewaren en het geloof van Jezus.
1 Johannes 5:10 SV: Die in den Zone Gods gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven; die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis die God getuigd heeft van Zijn Zoon.
1 Petrus 1:3 SV: Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden;
1 Petrus 2:7 SV: U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar den ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen Dien de bouwlieden verworpen hebben, Deze is geworden tot een Hoofd des hoeks, en een Steen des aanstoots, en een Rots der ergernis;
weg met alle afgoderij, je kunt geen 2 heren dienen:
Mattheüs 6:24 SV: Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal den enen haten en den anderen liefhebben, of hij zal den enen aanhangen en den anderen verachten; gij kunt niet God dienen en den Mammon.
waarom hoor je velen wel over god, maar niet over de Heere Jezus Christus, de Heere God, hopelijk zet je dit aan het nadenken!
Markus 13:22 SV: Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen tekenen en wonderen doen, om te verleiden, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen.
❤1
Forwarded from BIJBELTIJD
‘Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof.’
De Eerste Algemene Brief van den Apostel Johannes 5:4 STV
De Eerste Algemene Brief van den Apostel Johannes 5:4 STV
Psalmen 104:1-35 SV:
1: LOOF den HEERE, mijn ziel; o HEERE mijn God, Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.
2: Hij bedekt Zich met het licht als met een kleed, Hij rekt den hemel uit als een gordijn.
3: Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.
4: Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.
5: Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.
6: Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.
7: Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.
8: De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse die Gij voor hen gegrond hadt.
9: Gij hebt een paal gesteld, die zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.
10: Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten heen wandelen.
11: Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede.
12: Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.
13: Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.
14: Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen,
15: En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt.
16: De bomen des HEEREN worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft;
17: Alwaar de vogelkens nestelen; des ooievaars huis zijn de dennenbomen.
18: De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.
19: Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang.
20: Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt,
21: De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijze van God te zoeken.
22: De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen.
23: De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe.
24: Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen.
25: Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote.
26: Daar wandelen de schepen, en de leviathan, dien Gij geformeerd hebt om daarin te spelen.
27: Zij alle wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.
28: Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.
29: Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.
30: Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.
31: De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken.
32: Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.
33: Ik zal den HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.
34: Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.
35: De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof den HEERE, mijn ziel. Hallelujah.
1: LOOF den HEERE, mijn ziel; o HEERE mijn God, Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.
2: Hij bedekt Zich met het licht als met een kleed, Hij rekt den hemel uit als een gordijn.
3: Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.
4: Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.
5: Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.
6: Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.
7: Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.
8: De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse die Gij voor hen gegrond hadt.
9: Gij hebt een paal gesteld, die zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.
10: Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten heen wandelen.
11: Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede.
12: Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.
13: Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.
14: Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen,
15: En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt.
16: De bomen des HEEREN worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft;
17: Alwaar de vogelkens nestelen; des ooievaars huis zijn de dennenbomen.
18: De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.
19: Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang.
20: Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt,
21: De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijze van God te zoeken.
22: De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen.
23: De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe.
24: Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen.
25: Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote.
26: Daar wandelen de schepen, en de leviathan, dien Gij geformeerd hebt om daarin te spelen.
27: Zij alle wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.
28: Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.
29: Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.
30: Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.
31: De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken.
32: Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.
33: Ik zal den HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.
34: Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.
35: De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof den HEERE, mijn ziel. Hallelujah.